Helaas is de overhoormodule niet beschikbaar. Wel kun je deze lijst overhoren via WRTS. Klik op 'Overhoren'

Grandes Lignes, deel A

2 ^^^^^ Vocabulaire A, B, E Klas 1 Grandes Lignes

Jaar 1 (havo/vwo)
 
 
  Ingezonden door Jules vp (Gemeentelijk Gymnasium Hilversum / GGH) op 12-12-2017 - 1199x bekeken. 
Waardering 5.4 (aantal stemmen: 7)
 

Vocabulaire H2 A, B en E klas 1 Grandes Lignes havo/vwo deel A

Reacties (8)

henk
27-02-2018 20:36
ooooolllll:? :?: :?: :S :( :S :S :S :S :S
henk
27-02-2018 20:36
hoile camping =de camping
les vacancesv mv = de vakantie
la glace =het ijsje
le cheval= het paard
chaud =warm
allemand(e)= Duits
hollandais(e)= Nederlands
français(e)= Frans
tu parles= jij spreekt
il achète =hij koopt
bonjour= hallo
au revoir =tot ziens
merci= bedankt
de rien= niets te danken
bien =goed
un petit peu =een klein beetje
voilà= alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft)
s'il vous plaît =alstublieft (als je iets vraagt)
de vakantie =les vacances v mv
de camping= le camping
het ijsje = la glace
het paard = le cheval
Duits= allemand(e)
Nederlands = hollandais(e)
Frans = français(e)
hallo = bonjour
tot ziens = au revoir
bedankt = merci
niets te danken = de rien
alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft) =voilà
alstublieft (als je iets vraagt) =s'il vous plaît
Hoe heet je?= Comment tu t'appelles?
ik heet Daan=Je m'appelle Daan.
Ben je Frans? =Tu es français? / Tu es française?
Nee, ik ben Nederlands. = Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise.
Ik begrijp het niet. = Je ne comprends pas
Je ne comprends pas =Ik begrijp het niet.
Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise. =Nee, ik ben Nederlands.
Tu es français? / Tu es française? =Ben je Frans?
Je m'appelle Daan.=ik heet Daan
Comment tu t'appelles?=Hoe heet je?
la France =Frankrijk
Paris= Parijs
le sud =het zuiden
la piscine= het zwembad
la plage =het strand
le copain= de vriend
la photo =de foto
blanc =wit
anglais(e)= Engels
il y a= er is / er zijn
où =waar
dans =in
comment= hoe
aussi= ook
avec= met
et =en
mais= maar
oui= ja
non =nee
près de =dicht bij
het zwembad= la piscine
het strand =la plage
de vriend = le copain
Engels = anglais(e)
waar =où
in =dans
hoe = comment
ook= aussi
met = avec
en = et
maar= mais
er is / er zijn= il y a
ja =oui
nee =non
Hoe gaat het? = Ça va?
Ça va? =Hoe gaat het?
Het gaat goed. = Ça va bien.
Ça va bien. =Het gaat goed.
Ben je op vakantie? =Tu es en vacances?
Tu es en vacances? =Ben je op vakantie?
Ja, ik ben hier op vakantie.= Oui, je suis en vacances ici.
Oui, je suis en vacances ici.=Ja, ik ben hier op vakantie
Spreek je Frans?= Tu parles français?
Tu parles français? =Spreek je Frans?
Ja, een beetje. = Oui, un petit peu.
Oui, un petit peu.=Ja, een beetje
le nom =de naam
l'âge m= de leeftijd
l'adresse v= het adres
la ville =de stad
l'école v =de school
la famille =de familie
les parents m mv= de ouders
le frère =de broer
la sœur =de zus
la copine =de vriendin
l'île v =het eiland
la caravane= de caravan
la tente =de tent
la douche= de douche
les toilettes v mv= de wc
le numéro= het nummer
le téléphone= de telefoon
de naam =le nom
de leeftijd= l'âge m
het adres= l'adresse v
de stad= la ville
het nummer= le numéro
de telefoon = le téléphone
het eiland = l'île v
de familie= la famille
de ouders= les parents m mv
de broer = le frère
de zus = la sœur
de vriendin= la copine
de school = l'école v
de wc = les toilettes v mv
Waar woon je? = Tu habites où?
Tu habites où? =Waar woon je?
Ik woon in Parijs.= J'habite à Paris.
J'habite à Paris=Ik woon in Parijs.
Hoe oud ben je? =Tu as quel âge?
Tu as quel âge? =Hoe oud ben je?
Ik ben twaalf jaar.= J'ai douze ans.
J'ai douze ans.=Ik ben twaalf jaar.
bienvenue =welkom
la leçon= de les
le prof =de leraar
l'an m =het jaar
on va= wij gaan
travailler= werken
il s'appelle= hij heet
aimer =houden van, leuk vinden
l'ordinateur m =de computer
le portable= het mobieltje
gentil =aardig
très =heel, erg
calme= rustig
je comprends= ik begrijp
pourquoi =waarom
depuis =sinds
d'accord= oké
de= van
de les= la leçon
de leraar= le prof
het jaar= l'an m
werken =travailler
sinds= depuis
hij heet =il s'appelle
de computer= l'ordinateur m
het mobieltje = le portable
ik begrijp = je comprends
heel, erg = très
oké = d'accord
houden van, leuk vinden= aimer
Wat is je telefoonnummer?= Quel est ton numéro de téléphone?
Dat is 06 12 15 10 07. =C'est le 06 12 15 10 07.
C'est le 06 12 15 10 07. =Dat is 06 12 15 10 07.
Quel est ton numéro de téléphone? =Wat is je telefoonnummer?
le problème =het probleem
la nature =de natuur
chercher =zoeken
regarder= kijken
détester =een hekel hebben aan
salut= hoi
beau= mooi
comment =hoe
au secours!= help!
moi =mij
merci beaucoup= heel erg bedankt
maintenant= nu
pour= voor
het probleem = le problème
zoeken = chercher
kijken = regarder
een hekel hebben aan = détester
mooi= beau
voor= pour
heel erg bedankt = merci beaucoup
Heb je een mobiele telefoon? =Tu as un portable?
Ja, ik heb een mobiele telefoon. =Oui, j'ai un portable
Tu as un portable? =Heb je een mobiele telefoon?
Oui, j'ai un portable =Ja, ik heb een mobiele telefoon.le camping =de camping
les vacancesv mv = de vakantie
la glace =het ijsje
le cheval= het paard
chaud =warm
allemand(e)= Duits
hollandais(e)= Nederlands
français(e)= Frans
tu parles= jij spreekt
il achète =hij koopt
bonjour= hallo
au revoir =tot ziens
merci= bedankt
de rien= niets te danken
bien =goed
un petit peu =een klein beetje
voilà= alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft)
s'il vous plaît =alstublieft (als je iets vraagt)
de vakantie =les vacances v mv
de camping= le camping
het ijsje = la glace
het paard = le cheval
Duits= allemand(e)
Nederlands = hollandais(e)
Frans = français(e)
hallo = bonjour
tot ziens = au revoir
bedankt = merci
niets te danken = de rien
alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft) =voilà
alstublieft (als je iets vraagt) =s'il vous plaît
Hoe heet je?= Comment tu t'appelles?
ik heet Daan=Je m'appelle Daan.
Ben je Frans? =Tu es français? / Tu es française?
Nee, ik ben Nederlands. = Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise.
Ik begrijp het niet. = Je ne comprends pas
Je ne comprends pas =Ik begrijp het niet.
Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise. =Nee, ik ben Nederlands.
Tu es français? / Tu es française? =Ben je Frans?
Je m'appelle Daan.=ik heet Daan
Comment tu t'appelles?=Hoe heet je?
la France =Frankrijk
Paris= Parijs
le sud =het zuiden
la piscine= het zwembad
la plage =het strand
le copain= de vriend
la photo =de foto
blanc =wit
anglais(e)= Engels
il y a= er is / er zijn
où =waar
dans =in
comment= hoe
aussi= ook
avec= met
et =en
mais= maar
oui= ja
non =nee
près de =dicht bij
het zwembad= la piscine
het strand =la plage
de vriend = le copain
Engels = anglais(e)
waar =où
in =dans
hoe = comment
ook= aussi
met = avec
en = et
maar= mais
er is / er zijn= il y a
ja =oui
nee =non
Hoe gaat het? = Ça va?
Ça va? =Hoe gaat het?
Het gaat goed. = Ça va bien.
Ça va bien. =Het gaat goed.
Ben je op vakantie? =Tu es en vacances?
Tu es en vacances? =Ben je op vakantie?
Ja, ik ben hier op vakantie.= Oui, je suis en vacances ici.
Oui, je suis en vacances ici.=Ja, ik ben hier op vakantie
Spreek je Frans?= Tu parles français?
Tu parles français? =Spreek je Frans?
Ja, een beetje. = Oui, un petit peu.
Oui, un petit peu.=Ja, een beetje
le nom =de naam
l'âge m= de leeftijd
l'adresse v= het adres
la ville =de stad
l'école v =de school
la famille =de familie
les parents m mv= de ouders
le frère =de broer
la sœur =de zus
la copine =de vriendin
l'île v =het eiland
la caravane= de caravan
la tente =de tent
la douche= de douche
les toilettes v mv= de wc
le numéro= het nummer
le téléphone= de telefoon
de naam =le nom
de leeftijd= l'âge m
het adres= l'adresse v
de stad= la ville
het nummer= le numéro
de telefoon = le téléphone
het eiland = l'île v
de familie= la famille
de ouders= les parents m mv
de broer = le frère
de zus = la sœur
de vriendin= la copine
de school = l'école v
de wc = les toilettes v mv
Waar woon je? = Tu habites où?
Tu habites où? =Waar woon je?
Ik woon in Parijs.= J'habite à Paris.
J'habite à Paris=Ik woon in Parijs.
Hoe oud ben je? =Tu as quel âge?
Tu as quel âge? =Hoe oud ben je?
Ik ben twaalf jaar.= J'ai douze ans.
J'ai douze ans.=Ik ben twaalf jaar.
bienvenue =welkom
la leçon= de les
le prof =de leraar
l'an m =het jaar
on va= wij gaan
travailler= werken
il s'appelle= hij heet
aimer =houden van, leuk vinden
l'ordinateur m =de computer
le portable= het mobieltje
gentil =aardig
très =heel, erg
calme= rustig
je comprends= ik begrijp
pourquoi =waarom
depuis =sinds
d'accord= oké
de= van
de les= la leçon
de leraar= le prof
het jaar= l'an m
werken =travailler
sinds= depuis
hij heet =il s'appelle
de computer= l'ordinateur m
het mobieltje = le portable
ik begrijp = je comprends
heel, erg = très
oké = d'accord
houden van, leuk vinden= aimer
Wat is je telefoonnummer?= Quel est ton numéro de téléphone?
Dat is 06 12 15 10 07. =C'est le 06 12 15 10 07.
C'est le 06 12 15 10 07. =Dat is 06 12 15 10 07.
Quel est ton numéro de téléphone? =Wat is je telefoonnummer?
le problème =het probleem
la nature =de natuur
chercher =zoeken
regarder= kijken
détester =een hekel hebben aan
salut= hoi
beau= mooi
comment =hoe
au secours!= help!
moi =mij
merci beaucoup= heel erg bedankt
maintenant= nu
pour= voor
het probleem = le problème
zoeken = chercher
kijken = regarder
een hekel hebben aan = détester
mooi= beau
voor= pour
heel erg bedankt = merci beaucoup
Heb je een mobiele telefoon? =Tu as un portable?
Ja, ik heb een mobiele telefoon. =Oui, j'ai un portable
Tu as un portable? =Heb je een mobiele telefoon?
Oui, j'ai un portable =Ja, ik heb een mobiele telefoon.le camping =de camping
les vacancesv mv = de vakantie
la glace =het ijsje
le cheval= het paard
chaud =warm
allemand(e)= Duits
hollandais(e)= Nederlands
français(e)= Frans
tu parles= jij spreekt
il achète =hij koopt
bonjour= hallo
au revoir =tot ziens
merci= bedankt
de rien= niets te danken
bien =goed
un petit peu =een klein beetje
voilà= alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft)
s'il vous plaît =alstublieft (als je iets vraagt)
de vakantie =les vacances v mv
de camping= le camping
het ijsje = la glace
het paard = le cheval
Duits= allemand(e)
Nederlands = hollandais(e)
Frans = français(e)
hallo = bonjour
tot ziens = au revoir
bedankt = merci
niets te danken = de rien
alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft) =voilà
alstublieft (als je iets vraagt) =s'il vous plaît
Hoe heet je?= Comment tu t'appelles?
ik heet Daan=Je m'appelle Daan.
Ben je Frans? =Tu es français? / Tu es française?
Nee, ik ben Nederlands. = Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise.
Ik begrijp het niet. = Je ne comprends pas
Je ne comprends pas =Ik begrijp het niet.
Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise. =Nee, ik ben Nederlands.
Tu es français? / Tu es française? =Ben je Frans?
Je m'appelle Daan.=ik heet Daan
Comment tu t'appelles?=Hoe heet je?
la France =Frankrijk
Paris= Parijs
le sud =het zuiden
la piscine= het zwembad
la plage =het strand
le copain= de vriend
la photo =de foto
blanc =wit
anglais(e)= Engels
il y a= er is / er zijn
où =waar
dans =in
comment= hoe
aussi= ook
avec= met
et =en
mais= maar
oui= ja
non =nee
près de =dicht bij
het zwembad= la piscine
het strand =la plage
de vriend = le copain
Engels = anglais(e)
waar =où
in =dans
hoe = comment
ook= aussi
met = avec
en = et
maar= mais
er is / er zijn= il y a
ja =oui
nee =non
Hoe gaat het? = Ça va?
Ça va? =Hoe gaat het?
Het gaat goed. = Ça va bien.
Ça va bien. =Het gaat goed.
Ben je op vakantie? =Tu es en vacances?
Tu es en vacances? =Ben je op vakantie?
Ja, ik ben hier op vakantie.= Oui, je suis en vacances ici.
Oui, je suis en vacances ici.=Ja, ik ben hier op vakantie
Spreek je Frans?= Tu parles français?
Tu parles français? =Spreek je Frans?
Ja, een beetje. = Oui, un petit peu.
Oui, un petit peu.=Ja, een beetje
le nom =de naam
l'âge m= de leeftijd
l'adresse v= het adres
la ville =de stad
l'école v =de school
la famille =de familie
les parents m mv= de ouders
le frère =de broer
la sœur =de zus
la copine =de vriendin
l'île v =het eiland
la caravane= de caravan
la tente =de tent
la douche= de douche
les toilettes v mv= de wc
le numéro= het nummer
le téléphone= de telefoon
de naam =le nom
de leeftijd= l'âge m
het adres= l'adresse v
de stad= la ville
het nummer= le numéro
de telefoon = le téléphone
het eiland = l'île v
de familie= la famille
de ouders= les parents m mv
de broer = le frère
de zus = la sœur
de vriendin= la copine
de school = l'école v
de wc = les toilettes v mv
Waar woon je? = Tu habites où?
Tu habites où? =Waar woon je?
Ik woon in Parijs.= J'habite à Paris.
J'habite à Paris=Ik woon in Parijs.
Hoe oud ben je? =Tu as quel âge?
Tu as quel âge? =Hoe oud ben je?
Ik ben twaalf jaar.= J'ai douze ans.
J'ai douze ans.=Ik ben twaalf jaar.
bienvenue =welkom
la leçon= de les
le prof =de leraar
l'an m =het jaar
on va= wij gaan
travailler= werken
il s'appelle= hij heet
aimer =houden van, leuk vinden
l'ordinateur m =de computer
le portable= het mobieltje
gentil =aardig
très =heel, erg
calme= rustig
je comprends= ik begrijp
pourquoi =waarom
depuis =sinds
d'accord= oké
de= van
de les= la leçon
de leraar= le prof
het jaar= l'an m
werken =travailler
sinds= depuis
hij heet =il s'appelle
de computer= l'ordinateur m
het mobieltje = le portable
ik begrijp = je comprends
heel, erg = très
oké = d'accord
houden van, leuk vinden= aimer
Wat is je telefoonnummer?= Quel est ton numéro de téléphone?
Dat is 06 12 15 10 07. =C'est le 06 12 15 10 07.
C'est le 06 12 15 10 07. =Dat is 06 12 15 10 07.
Quel est ton numéro de téléphone? =Wat is je telefoonnummer?
le problème =het probleem
la nature =de natuur
chercher =zoeken
regarder= kijken
détester =een hekel hebben aan
salut= hoi
beau= mooi
comment =hoe
au secours!= help!
moi =mij
merci beaucoup= heel erg bedankt
maintenant= nu
pour= voor
het probleem = le problème
zoeken = chercher
kijken = regarder
een hekel hebben aan = détester
mooi= beau
voor= pour
heel erg bedankt = merci beaucoup
Heb je een mobiele telefoon? =Tu as un portable?
Ja, ik heb een mobiele telefoon. =Oui, j'ai un portable
Tu as un portable? =Heb je een mobiele telefoon?
Oui, j'ai un portable =Ja, ik heb een mobiele telefoon.le camping =de camping
les vacancesv mv = de vakantie
la glace =het ijsje
le cheval= het paard
chaud =warm
allemand(e)= Duits
hollandais(e)= Nederlands
français(e)= Frans
tu parles= jij spreekt
il achète =hij koopt
bonjour= hallo
au revoir =tot ziens
merci= bedankt
de rien= niets te danken
bien =goed
un petit peu =een klein beetje
voilà= alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft)
s'il vous plaît =alstublieft (als je iets vraagt)
de vakantie =les vacances v mv
de camping= le camping
het ijsje = la glace
het paard = le cheval
Duits= allemand(e)
Nederlands = hollandais(e)
Frans = français(e)
hallo = bonjour
tot ziens = au revoir
bedankt = merci
niets te danken = de rien
alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft) =voilà
alstublieft (als je iets vraagt) =s'il vous plaît
Hoe heet je?= Comment tu t'appelles?
ik heet Daan=Je m'appelle Daan.
Ben je Frans? =Tu es français? / Tu es française?
Nee, ik ben Nederlands. = Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise.
Ik begrijp het niet. = Je ne comprends pas
Je ne comprends pas =Ik begrijp het niet.
Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise. =Nee, ik ben Nederlands.
Tu es français? / Tu es française? =Ben je Frans?
Je m'appelle Daan.=ik heet Daan
Comment tu t'appelles?=Hoe heet je?
la France =Frankrijk
Paris= Parijs
le sud =het zuiden
la piscine= het zwembad
la plage =het strand
le copain= de vriend
la photo =de foto
blanc =wit
anglais(e)= Engels
il y a= er is / er zijn
où =waar
dans =in
comment= hoe
aussi= ook
avec= met
et =en
mais= maar
oui= ja
non =nee
près de =dicht bij
het zwembad= la piscine
het strand =la plage
de vriend = le copain
Engels = anglais(e)
waar =où
in =dans
hoe = comment
ook= aussi
met = avec
en = et
maar= mais
er is / er zijn= il y a
ja =oui
nee =non
Hoe gaat het? = Ça va?
Ça va? =Hoe gaat het?
Het gaat goed. = Ça va bien.
Ça va bien. =Het gaat goed.
Ben je op vakantie? =Tu es en vacances?
Tu es en vacances? =Ben je op vakantie?
Ja, ik ben hier op vakantie.= Oui, je suis en vacances ici.
Oui, je suis en vacances ici.=Ja, ik ben hier op vakantie
Spreek je Frans?= Tu parles français?
Tu parles français? =Spreek je Frans?
Ja, een beetje. = Oui, un petit peu.
Oui, un petit peu.=Ja, een beetje
le nom =de naam
l'âge m= de leeftijd
l'adresse v= het adres
la ville =de stad
l'école v =de school
la famille =de familie
les parents m mv= de ouders
le frère =de broer
la sœur =de zus
la copine =de vriendin
l'île v =het eiland
la caravane= de caravan
la tente =de tent
la douche= de douche
les toilettes v mv= de wc
le numéro= het nummer
le téléphone= de telefoon
de naam =le nom
de leeftijd= l'âge m
het adres= l'adresse v
de stad= la ville
het nummer= le numéro
de telefoon = le téléphone
het eiland = l'île v
de familie= la famille
de ouders= les parents m mv
de broer = le frère
de zus = la sœur
de vriendin= la copine
de school = l'école v
de wc = les toilettes v mv
Waar woon je? = Tu habites où?
Tu habites où? =Waar woon je?
Ik woon in Parijs.= J'habite à Paris.
J'habite à Paris=Ik woon in Parijs.
Hoe oud ben je? =Tu as quel âge?
Tu as quel âge? =Hoe oud ben je?
Ik ben twaalf jaar.= J'ai douze ans.
J'ai douze ans.=Ik ben twaalf jaar.
bienvenue =welkom
la leçon= de les
le prof =de leraar
l'an m =het jaar
on va= wij gaan
travailler= werken
il s'appelle= hij heet
aimer =houden van, leuk vinden
l'ordinateur m =de computer
le portable= het mobieltje
gentil =aardig
très =heel, erg
calme= rustig
je comprends= ik begrijp
pourquoi =waarom
depuis =sinds
d'accord= oké
de= van
de les= la leçon
de leraar= le prof
het jaar= l'an m
werken =travailler
sinds= depuis
hij heet =il s'appelle
de computer= l'ordinateur m
het mobieltje = le portable
ik begrijp = je comprends
heel, erg = très
oké = d'accord
houden van, leuk vinden= aimer
Wat is je telefoonnummer?= Quel est ton numéro de téléphone?
Dat is 06 12 15 10 07. =C'est le 06 12 15 10 07.
C'est le 06 12 15 10 07. =Dat is 06 12 15 10 07.
Quel est ton numéro de téléphone? =Wat is je telefoonnummer?
le problème =het probleem
la nature =de natuur
chercher =zoeken
regarder= kijken
détester =een hekel hebben aan
salut= hoi
beau= mooi
comment =hoe
au secours!= help!
moi =mij
merci beaucoup= heel erg bedankt
maintenant= nu
pour= voor
het probleem = le problème
zoeken = chercher
kijken = regarder
een hekel hebben aan = détester
mooi= beau
voor= pour
heel erg bedankt = merci beaucoup
Heb je een mobiele telefoon? =Tu as un portable?
Ja, ik heb een mobiele telefoon. =Oui, j'ai un portable
Tu as un portable? =Heb je een mobiele telefoon?
Oui, j'ai un portable =Ja, ik heb een mobiele telefoon.le camping =de camping
les vacancesv mv = de vakantie
la glace =het ijsje
le cheval= het paard
chaud =warm
allemand(e)= Duits
hollandais(e)= Nederlands
français(e)= Frans
tu parles= jij spreekt
il achète =hij koopt
bonjour= hallo
au revoir =tot ziens
merci= bedankt
de rien= niets te danken
bien =goed
un petit peu =een klein beetje
voilà= alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft)
s'il vous plaît =alstublieft (als je iets vraagt)
de vakantie =les vacances v mv
de camping= le camping
het ijsje = la glace
het paard = le cheval
Duits= allemand(e)
Nederlands = hollandais(e)
Frans = français(e)
hallo = bonjour
tot ziens = au revoir
bedankt = merci
niets te danken = de rien
alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft) =voilà
alstublieft (als je iets vraagt) =s'il vous plaît
Hoe heet je?= Comment tu t'appelles?
ik heet Daan=Je m'appelle Daan.
Ben je Frans? =Tu es français? / Tu es française?
Nee, ik ben Nederlands. = Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise.
Ik begrijp het niet. = Je ne comprends pas
Je ne comprends pas =Ik begrijp het niet.
Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise. =Nee, ik ben Nederlands.
Tu es français? / Tu es française? =Ben je Frans?
Je m'appelle Daan.=ik heet Daan
Comment tu t'appelles?=Hoe heet je?
la France =Frankrijk
Paris= Parijs
le sud =het zuiden
la piscine= het zwembad
la plage =het strand
le copain= de vriend
la photo =de foto
blanc =wit
anglais(e)= Engels
il y a= er is / er zijn
où =waar
dans =in
comment= hoe
aussi= ook
avec= met
et =en
mais= maar
oui= ja
non =nee
près de =dicht bij
het zwembad= la piscine
het strand =la plage
de vriend = le copain
Engels = anglais(e)
waar =où
in =dans
hoe = comment
ook= aussi
met = avec
en = et
maar= mais
er is / er zijn= il y a
ja =oui
nee =non
Hoe gaat het? = Ça va?
Ça va? =Hoe gaat het?
Het gaat goed. = Ça va bien.
Ça va bien. =Het gaat goed.
Ben je op vakantie? =Tu es en vacances?
Tu es en vacances? =Ben je op vakantie?
Ja, ik ben hier op vakantie.= Oui, je suis en vacances ici.
Oui, je suis en vacances ici.=Ja, ik ben hier op vakantie
Spreek je Frans?= Tu parles français?
Tu parles français? =Spreek je Frans?
Ja, een beetje. = Oui, un petit peu.
Oui, un petit peu.=Ja, een beetje
le nom =de naam
l'âge m= de leeftijd
l'adresse v= het adres
la ville =de stad
l'école v =de school
la famille =de familie
les parents m mv= de ouders
le frère =de broer
la sœur =de zus
la copine =de vriendin
l'île v =het eiland
la caravane= de caravan
la tente =de tent
la douche= de douche
les toilettes v mv= de wc
le numéro= het nummer
le téléphone= de telefoon
de naam =le nom
de leeftijd= l'âge m
het adres= l'adresse v
de stad= la ville
het nummer= le numéro
de telefoon = le téléphone
het eiland = l'île v
de familie= la famille
de ouders= les parents m mv
de broer = le frère
de zus = la sœur
de vriendin= la copine
de school = l'école v
de wc = les toilettes v mv
Waar woon je? = Tu habites où?
Tu habites où? =Waar woon je?
Ik woon in Parijs.= J'habite à Paris.
J'habite à Paris=Ik woon in Parijs.
Hoe oud ben je? =Tu as quel âge?
Tu as quel âge? =Hoe oud ben je?
Ik ben twaalf jaar.= J'ai douze ans.
J'ai douze ans.=Ik ben twaalf jaar.
bienvenue =welkom
la leçon= de les
le prof =de leraar
l'an m =het jaar
on va= wij gaan
travailler= werken
il s'appelle= hij heet
aimer =houden van, leuk vinden
l'ordinateur m =de computer
le portable= het mobieltje
gentil =aardig
très =heel, erg
calme= rustig
je comprends= ik begrijp
pourquoi =waarom
depuis =sinds
d'accord= oké
de= van
de les= la leçon
de leraar= le prof
het jaar= l'an m
werken =travailler
sinds= depuis
hij heet =il s'appelle
de computer= l'ordinateur m
het mobieltje = le portable
ik begrijp = je comprends
heel, erg = très
oké = d'accord
houden van, leuk vinden= aimer
Wat is je telefoonnummer?= Quel est ton numéro de téléphone?
Dat is 06 12 15 10 07. =C'est le 06 12 15 10 07.
C'est le 06 12 15 10 07. =Dat is 06 12 15 10 07.
Quel est ton numéro de téléphone? =Wat is je telefoonnummer?
le problème =het probleem
la nature =de natuur
chercher =zoeken
regarder= kijken
détester =een hekel hebben aan
salut= hoi
beau= mooi
comment =hoe
au secours!= help!
moi =mij
merci beaucoup= heel erg bedankt
maintenant= nu
pour= voor
het probleem = le problème
zoeken = chercher
kijken = regarder
een hekel hebben aan = détester
mooi= beau
voor= pour
heel erg bedankt = merci beaucoup
Heb je een mobiele telefoon? =Tu as un portable?
Ja, ik heb een mobiele telefoon. =Oui, j'ai un portable
Tu as un portable? =Heb je een mobiele telefoon?
Oui, j'ai un portable =Ja, ik heb een mobiele telefoon.
henk
27-02-2018 20:37
le camping =de camping
les vacancesv mv = de vakantie
la glace =het ijsje
le cheval= het paard
chaud =warm
allemand(e)= Duits
hollandais(e)= Nederlands
français(e)= Frans
tu parles= jij spreekt
il achète =hij koopt
bonjour= hallo
au revoir =tot ziens
merci= bedankt
de rien= niets te danken
bien =goed
un petit peu =een klein beetje
voilà= alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft)
s'il vous plaît =alstublieft (als je iets vraagt)
de vakantie =les vacances v mv
de camping= le camping
het ijsje = la glace
het paard = le cheval
Duits= allemand(e)
Nederlands = hollandais(e)
Frans = français(e)
hallo = bonjour
tot ziens = au revoir
bedankt = merci
niets te danken = de rien
alstublieft / alsjeblieft (als je iets geeft) =voilà
alstublieft (als je iets vraagt) =s'il vous plaît
Hoe heet je?= Comment tu t'appelles?
ik heet Daan=Je m'appelle Daan.
Ben je Frans? =Tu es français? / Tu es française?
Nee, ik ben Nederlands. = Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise.
Ik begrijp het niet. = Je ne comprends pas
Je ne comprends pas =Ik begrijp het niet.
Non, je suis hollandais. / Non, je suis hollandaise. =Nee, ik ben Nederlands.
Tu es français? / Tu es française? =Ben je Frans?
Je m'appelle Daan.=ik heet Daan
Comment tu t'appelles?=Hoe heet je?
la France =Frankrijk
Paris= Parijs
le sud =het zuiden
la piscine= het zwembad
la plage =het strand
le copain= de vriend
la photo =de foto
blanc =wit
anglais(e)= Engels
il y a= er is / er zijn
où =waar
dans =in
comment= hoe
aussi= ook
avec= met
et =en
mais= maar
oui= ja
non =nee
près de =dicht bij
het zwembad= la piscine
het strand =la plage
de vriend = le copain
Engels = anglais(e)
waar =où
in =dans
hoe = comment
ook= aussi
met = avec
en = et
maar= mais
er is / er zijn= il y a
ja =oui
nee =non
Hoe gaat het? = Ça va?
Ça va? =Hoe gaat het?
Het gaat goed. = Ça va bien.
Ça va bien. =Het gaat goed.
Ben je op vakantie? =Tu es en vacances?
Tu es en vacances? =Ben je op vakantie?
Ja, ik ben hier op vakantie.= Oui, je suis en vacances ici.
Oui, je suis en vacances ici.=Ja, ik ben hier op vakantie
Spreek je Frans?= Tu parles français?
Tu parles français? =Spreek je Frans?
Ja, een beetje. = Oui, un petit peu.
Oui, un petit peu.=Ja, een beetje
le nom =de naam
l'âge m= de leeftijd
l'adresse v= het adres
la ville =de stad
l'école v =de school
la famille =de familie
les parents m mv= de ouders
le frère =de broer
la sœur =de zus
la copine =de vriendin
l'île v =het eiland
la caravane= de caravan
la tente =de tent
la douche= de douche
les toilettes v mv= de wc
le numéro= het nummer
le téléphone= de telefoon
de naam =le nom
de leeftijd= l'âge m
het adres= l'adresse v
de stad= la ville
het nummer= le numéro
de telefoon = le téléphone
het eiland = l'île v
de familie= la famille
de ouders= les parents m mv
de broer = le frère
de zus = la sœur
de vriendin= la copine
de school = l'école v
de wc = les toilettes v mv
Waar woon je? = Tu habites où?
Tu habites où? =Waar woon je?
Ik woon in Parijs.= J'habite à Paris.
J'habite à Paris=Ik woon in Parijs.
Hoe oud ben je? =Tu as quel âge?
Tu as quel âge? =Hoe oud ben je?
Ik ben twaalf jaar.= J'ai douze ans.
J'ai douze ans.=Ik ben twaalf jaar.
bienvenue =welkom
la leçon= de les
le prof =de leraar
l'an m =het jaar
on va= wij gaan
travailler= werken
il s'appelle= hij heet
aimer =houden van, leuk vinden
l'ordinateur m =de computer
le portable= het mobieltje
gentil =aardig
très =heel, erg
calme= rustig
je comprends= ik begrijp
pourquoi =waarom
depuis =sinds
d'accord= oké
de= van
de les= la leçon
de leraar= le prof
het jaar= l'an m
werken =travailler
sinds= depuis
hij heet =il s'appelle
de computer= l'ordinateur m
het mobieltje = le portable
ik begrijp = je comprends
heel, erg = très
oké = d'accord
houden van, leuk vinden= aimer
Wat is je telefoonnummer?= Quel est ton numéro de téléphone?
Dat is 06 12 15 10 07. =C'est le 06 12 15 10 07.
C'est le 06 12 15 10 07. =Dat is 06 12 15 10 07.
Quel est ton numéro de téléphone? =Wat is je telefoonnummer?
le problème =het probleem
la nature =de natuur
chercher =zoeken
regarder= kijken
détester =een hekel hebben aan
salut= hoi
beau= mooi
comment =hoe
au secours!= help!
moi =mij
merci beaucoup= heel erg bedankt
maintenant= nu
pour= voor
het probleem = le problème
zoeken = chercher
kijken = regarder
een hekel hebben aan = détester
mooi= beau
voor= pour
heel erg bedankt = merci beaucoup
Heb je een mobiele telefoon? =Tu as un portable?
Ja, ik heb een mobiele telefoon. =Oui, j'ai un portable
Tu as un portable? =Heb je een mobiele telefoon?
Oui, j'ai un portable =Ja, ik heb een mobiele telefoon.
224655
31-05-2018 11:15
Fijn om dit te hebben als Grandes lignes het niet doet! :D :D :D :D :D :) :) :) :) ;) ;) :) :) ;) ;) :D ;) ;) ;) ;) ;) :) :) :) :) :) ;) ;) ;) ;) ;) :) :) :) :) :) ;) ;) ;) ;) :D :D :D :D :D
48
31-05-2018 11:35
coole website, maar ik snap niet waarvoor eigenlijk :?: :?: :?: :?: :?:
 


 

Correcties? Reageer!
Geef wel aan wat de foutjes zijn en blijf aardig.


*
:D:):?:;):S:?:(


*

*



 

   

Offline woordjes leren? Op je telefoon of tablet? Bekijk de apps :)

Door deze site te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies voor analytische doeleinden, gepersonaliseerde inhoud en advertenties. Meer informatie.