Helaas is de overhoormodule niet beschikbaar. Wel kun je deze lijst overhoren via WRTS. Klik op 'Overhoren'

Neue Kontakte

1 Neue Kontakte Idioomtrainer

Jaar 4 (havo/vwo)
 
 
  Ingezonden door Any_One (Dr. Nassau College) op 01-11-2011 - 4702x bekeken.
Laatst bijgewerkt: 02-11-2011. 
Waardering 10 (aantal stemmen: 3)
 

Maak hem later af.


Deze overhoring is meer dan zeven jaar geleden ingestuurd. Dit was de begintijd van woordjesleren.nl!!
Waarschijnlijk werk je met een recentere uitgave en wijkt jouw boek af van de inzending hierboven.



Reacties (1)

HULP
27-09-2016 15:35
ja = ja; immers; vooral
sagen = zeggen
auf- hersagen = opzeggen (bv. een gedicht)
entsagen = afstand doen van; opofferen
untersagen = verbieden
versagen = weigeren; falen
der Versager = de mislukkeling
zusagen = de uitnodiging aannemen; goed zijn voor
der Ansager = de omroeper
nach = naar, na, volgens
nach und nach; allmählich = langzamerhand, allengs
nach wie vor = nog altijd; zoals vroeger
nachher = later; daarna; straks
zunächst = allereerst
Geben = geven
angeblich = naar men zegt; zogenaamd
sich ergeben = zich overgeven; berusten
ergeben = opleveren; resultaat hebben
das Ergebnis = het resultaat
nachgeben (gab nach - nachgegeben) = toegeven
die Begebenheit = de gebeurtenis; het voorval
gehen = gaan; lopen
eingehen = krimpen; aangaan (weddenschap); ophouden te bestaan; doodgaan (bv. planten)
eingehend = grondig; nauwkeurig; diepgaand
umgehen = ontduiken; omzeilen; omgaan
umgehend = per omgaande
vorgehen = per omgaande
der Vorgang = de gebeurtenis; het voorval; het proces
hier = hier
hiesig = hier ter plaatse
dort = daar
dortig = daar ter plaatse
sehen = zien; kijken; zorgen; letten
die Ansicht = de mening; de opvatting; het gezicht; het aangezicht
die Nachsicht = de toegevendheid
sich versehen = verkeerd kijken, zich verkijken, zich vergissen
versehentlich = per ongelijk
stehen = staan
gestehen = bekennen
das Geständnis = de betekenis
sich unterstehen = durven
bestehen = bestaan, doorstaan, slagen, begroeien
erstehen = ontstaan, kopen
lassen = laten
der Anlass = de aanleiding
die Anleitung = de handleiding, de leidraad
veranlassen = aanleiding geven tot, veroorzaken
die Veranlassung = de aanleiding, de oorzaak, initiatief
anlässlich = naar aanleiding van
entlassen = ontslaan
erlassen = uitvaardigen, afkondigen, kwijtschelden
der Erlass = het besluit, de uitvaarding
nachlassen = minder worden
der Nachlass = de nalatenschap, nagelaten werken, literaire nalatenschap
nachlässig = slordig, nonchalant
lässig = slap, nonchalant
niederlassen = laten zakken
sich niederlassen = zich vestigen
die Niederlassung = de vestiging, het filiaal
zuverlässig = betrouwbaar
etwas unterlassen = iets nalaten (te doen)
nehmen = nemen, opvatten
sich annehmen = zich ontfermen over
die Ahnnahme = de veronderstelling, de aanname
die Ausnahme = de uitzondering
das Benehmen = het gedrag
die Uhr = het klok, uurwerk, het uur
der Uhrzeiger = de wijzer van een klok
die Uhrzeit = het tijdstip, de tijd
die Stunde = het uur, lesuur
die Freistunde = het tussenuur
der Studenausfall = het uitvallen van de lessen
stündlich = om het uur
liegen = liggen
die Lage = de ligging, de positie, de toestand, de situatie, de laag
die Lagebesprechung = de stafbespreking
erliegen = bezwijken, het onderspit delven
vorliegen = aanwezig zijn, ter tafel liggen
das Anliegen = het verzoek, de wens
die Vorlage = het voorbeeld, model, voorzet, assist
einmal, mal = eenmaal, eens
abermals = nog eens, weer
allemal = telkens, altijd
damals = toentertijd
ehemals, ehedem = eertijds, vroeger
manchmal = soms
öfters, oft, häufig = meningmaal, dikwijls, vaag
das Einmaleins = de tafels van vermenigvuldiging
stellen = zetten, stellen
sich stellen = zichzelf aangeven, doen alsof
sich verstellen = doen alsof
die Stellung = de houding, de positie
die Stelle = de plaats, de betrekking
das Stellengesuch = betrekking gezocht
das Stellenangebot = aangeboden betrekking
der Stellvertreter = de plaatsvervanger
die Stellenvermittlung = (bureau voor) arbeidsbemiddeling
anstellen = aanstellen, aanzetten, instellen
lieben = houden van
mögen = houden van
sich halten = hoed blijvend, stand houden
der Gehalt = het gehalte, de innerlijke waarde
das Gehalt = het salaris
sich verhalten = zich verhouden, zich gedragen
verhalten = inhouden
verhalten (bn) = ingehouden, voorzichtig
das Verhalten = het gedrag
das Verhältnis = de verhouding
die Verhältnisse = de omstandigheden, toestanden
verhältnismäßig = betrekkelijk
bringen = brengen, opbrengen
anbringen = plaatsen,
verbringen = doorbrengen
durchbringen = verkwisten, erdoor brengen
umbringen = vermoorden
aufgebracht = nijdig, woedend, boos, kwaad
hergebracht = traditioneel
etwa = ongeveer, soms, om maar iets te noemen, zoals men misshien denkt, bijvoorbeeld
etwaig = eventueel, mogelijk
 


 



 

   
Door deze site te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies voor analytische doeleinden, gepersonaliseerde inhoud en advertenties. Meer informatie.